Waarom verdwijnen als niemand je mist? Je bent al vergeten. Blijf hier. Pak de telefoon en bel je beste vriendinnetje met de vlechtjes van vroeger. Bel haar en vraag ‘hoe zit je haar vandaag?’ Ze is even stil, giechelt en zegt ‘ben jij het? Van het fietsenrek in je mond en het fonteintje op je hoofd?’ Je fluistert ‘ja’ en weet: ik ben er nog. Pak je koffer uit, hang je lievelingsjurk vooraan in je kast en je slobbertrui achterin. Trek je mooiste schoenen aan en loop een blokje om over de klinkers in je buurt. Alle mannen kijken naar je en je ziet jezelf in de ruit van je achterburen: je bent er nog. Kam je haren en poets je tanden. Koop een brood in de supermarkt en loop naar het park. Voer de eendjes en zeg tegen de meneer met de keffende teckel: ‘wat een lieve snoet heeft ie’. De teckel kwispelt en de meneer glimlacht naar je: je bent er nog, je bent er nog, je bent er nog. Nu kan je pas verdwijnen. Pak je koffer weer in, trek je wandelschoenen aan onder je mooiste jurk en ren, ren, ren. Je bent niet meer vergeten. Ze kijken naar je gesloten gordijnen en je ongemaaide gras, en weten: ze is er niet meer.

Tranen met tuiten. 

In de zomervakantie fietsen we naar de Dommel. Met muziek en cakejes. We luisteren de hele dag naar girlbands en zijn gelukkig. We drinken wijn en worden teut. En dan gaan we huilen en lachen en kleden we ons uit en rennen naar zee. Uit. 

Hij zegt dat ik een mijnenveld ben. Dat bij iedere misstap de tranen als bommen op mijn wangen vallen. Bij iedere misstap zit ik vol kuilen en knalt hij de lucht in. Ik huil. Ik wil geen watje zijn. Hij noemt me een bloemenveld waar hij met blozende wangen doorheen rent, of beter gezegd: ploetert. Steeds meer bloemen onder aan zijn schoenen. Vertrapte vergeet-me-nietjes in mijn hoofd en geknakte klaprozen. Huppel asjeblieft. Het is niet mijn dag vandaag. 

Het reservaat

“Ik keek naar de silhouet van de bouwkraan op de werf aan de overkant. Als een enorme galg tekende de kraan zich tegen de sterrenhemel af. Ik keek ook naar de sterren. Als kind had ik zo vaak ‘s avonds achter het raam naar de sterren zitten kijken. De meeste prenten in mijn sprookjesboeken hadden een flonkerende sterrenhemel als achtergrond; de lucht was marineblauw of violet en de sterren schenen als uit zilverpapier geknipt, ze waren verbazend groot en liepen in lange scherpe punten uit, als sterren in het ijs. Als ik dan achter het raam zat en naar de sterren opkeek, waande ik me in een sprookjeswereld. De sterrenhemel was een sprookjeshemel, de huizen waren van peperkoek en de vrouwen die de huizen uitkwamen waren feeën en heksen, en de hond die in de goot liep te snuffelen was een boze wolf. Zulke droomverbeeldingen waren toen nog mogelijk, want er bestonden nog geen bouwkranen en spanbetonnen skeletten die de illusie konden vernietigen, de verweerde bruinrode bakstenen gevels konden nog aan peperkoek doen denken en de vrouwen hadden nog lange golvende haren tot op de schouders, zoals de feeën. Vandaag echter hadden de volwassenen de wereld aangepast aan hun eigen dromen en de sprookjesdecors afgebroken. Zelfs de woorden uit de sprookjesboeken hadden ze vervangen door andere, door het jargon uit hun eigen technische en wetenschappelijke handlexicons; zo spraken ze niet meer van sterren, maar van de astrofysica, het interplanetair verkeer en de kosmische stralen.

In zo’n wereld kon geen plaats meer zijn voor godsdienst, muziek en poëzie. Men kon de heiligen nogal moeilijk uitbeelden met een nimbus van kosmische stralen, de astronauten kon men zich nu eenmaal niet voorstellen met een vioolkist onder de arm en zelfs het genie Eggerwald zou geen gedicht kunnen schrijven over de bodemstructuur van de satellieten van Jupiter.” 

(Ik heb dit al te vaak gedeeld hier, maar wil zo graag dat het gelezen blijft en het is uit mijn favoriete boek ooit Het Reservaat van Ward Ruyslinck)

Partypeople!

De volgende teksten zijn geschreven door een van die schrijfmeisjes, met van die sluike haartjes en broze wangetjes en dunne beentjes en lege oogjes, terwijl ze jankend,u hoort het goed: jankend achter haar macbookje zat, snotterend de laatste restjes cappuccinoschuim uit haar mok schraapte en met haar afgebeten vingernageltjes boven de letters zweefde. Vroeger, vroeger toen ze nog diep ongelukkig was en midden in de nacht huilend naar lieve, psychotische jongens belde om niet alleen in bed te hoeven woelen, haar vrienden zei dat het iets met vergankelijkheid te maken had en de stad introk gewapend met pen, papier en hopjesvla om samen te kunnen zijn met vreemden, vroeger, ja, vroeger, de slechte oude tijd, dat waren de tijden waarin de woorden vloeiden.

Er is geen tijd te verliezen. De plantjes moeten uit de grond met wortels en al en als het kan, trek jezelf aan je haren mee. Het is lang genoeg geweest, het is donker genoeg en vanavond mag je weer naar bed. Je kijkt alleen naar de dode aardappelen op de grond. Kijk er niet meer naar. Pak ze op. Steek ze op een stok. Gooi en zwiep ze weg. Net als vroeger. Je hebt geen tijd te verliezen.Er is geen tijd te verliezen. 

Anonymous asked: jullie twee zijn samen het allerliefst

we doen ons allerbest en allerliefst. over iets minder dan een maand komt hij drie dagen naar hier en gaan we dansen op happy hardcore. 

Tien, negen, acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee, een

Wie niet gelukkig is, is gezien
Ik kom